Tien
Goed. Denver dus. Voor mij nog steeds synoniem met het International Headquarters (IHQ) van Maharaj ji’s Divine Light Mission aan 511 16th Street. In klank zonodig nog mythischer dan Prem Nagar. Maar evengoed de plek waar het voor mij na vijf jaar van ‘satsang, service en meditatie’, the true life of a devotee, allemaal eindigde.
Het vliegtuig dat Janny en mij naar Denver brengt, heeft eerst een kapotte generator, maar vliegt uiteindelijk toch en de stewardess verzekert met een vriendelijk klopje op mijn arm dat alles prima in orde komt. En dat is zo. Zelfs de bediening van de ramen van onze huurauto weten we als niet-autobezitters na een poging of wat te vinden, zodat we weggewuifd en nagelachen door de mevrouw die de slagboom van Avis bedient in onze Chevrolet Impala de stad met uitzicht op de Rocky Mountains inrijden. Daar heb ik een bed & breakfast besproken aan Gilpin Street, net om de hoek en in precies zo’n zelfde type huis als de ashram aan Franklin Street waar ik destijds woonde.
De ashram was een groot, vrijstaand huis van ruim honderd jaar oud met binnen en buiten veel hout en een grote veranda naast de voordeur. Het type waar de Divine Light Mission er in Denver een stuk of tien van huurde. Wij woonden aan Franklin Street met ongeveer vijfentwintig mensen en het was er binnen en buiten kaal en streng, met een betegelde tuin waar je als verlichtingzoeker natuurlijk nooit kwam.
Nu logeren we net om de hoek bij John Walters, retired farmaceutisch onderzoeker. Hij heeft zijn B&B binnen en buiten vol gezet en gehangen met bloemetjes, koperen stangen, gedrapeerde stoffen, geplooide randjes en bekrulde meubelen. Wij hebben de Rose Room, een kamer als een pluche beest met een hoog houten bed waar je in klimt en in wegzakt. “It works for you uh?”, giechelt John, als hij onze gezichten ziet en kreten hoort. Hij is zestig en was dertig toen hij het huis kocht, ‘a complete mess’. Hij timmerde en schilderde alles dertig jaar lang stukje bij beetje weer heel en kocht in Europa antiek per container, ongezien. Daar komt die vergulde leeuwenpoot vandaan die in onze Rose Room als steun dient voor een lap zware, rode velours. Net als de stenen vrouw die in de tuin haar amfora in de vijver met goudvissen leegt. En de metalen schommelbank met grote bloemige kussens op de veranda. En de schilderijen aan de muur, van dartelende jonge vrouwen en streng blikkende oude mannen.
Zijn tuin grenst zowat aan die van de vroegere ashram in Franklin Street. Toen ik daar was, stond hij hier te schilderen, dakpannen te vervangen en koper te poetsen. Geen mogelijkheid dat we elkaar daar ooit over hadden aangesproken. Ik wist niet eens waar mijn eigen huisgenoten vandaan kwamen of wat ze in het verleden hadden gedaan. Behalve satsang, service en meditatie, was alles illusie en misleiding.
Die avond lopen Janny en ik via Colfax Avenue naar 511 16th Street, het adres dat voor de westerse volgelingen van Maharaj ji aan het paradijs op aarde grensde. In werkelijkheid was het een nogal somber kantoorgebouw, met zware stenen muren, in een rotsachtige uitvoering, en kleine ramen. Ook binnen was het voornamelijk donker. Een schommelende lift, houten lambriseringen in de gangen en kantoren en donkere houten bureaus die waarschijnlijk samen met het gebouw in de huur zaten. De ‘executives’, zoals ik als ‘international coördinator Europe and Australia’, hadden eigen kantoortjes op de eerste twee verdiepingen die de Divine Light Mission van wapenfabrikant Joe Gould huurde. Daarboven was een open ruimte met houten banken, die overdag als eetzaal en ’s avonds voor satsangbijeenkomsten dienst deed. Daar weer boven waren nog drie kantoorverdiepingen met grote open werkruimtes voor de boekhouding, het regelen van reizen en festivals, het beheren van huizen en zalen verspreid over Amerika en het maken van drukwerk en films over Maharaj ji en de Divine Light Mission. Zo’n vijfhonderd mensen alles bij elkaar, schat ik. Sinds de goeroe had besloten dat we acceptabel voor de wereld moesten zijn, allemaal gekleed in wijdvallende jurken en strakke pakken. Pierre Gardin, Van Gils en Laura Ashley voor de executives, uit het tweede hands circuit voor de rest.
Het gebouw staat er nog, zie ik als we
de straat inlopen. Maar de entree is nu van glas, glimmend goud en gepoetst
marmer. De eigen Divine Light Mission security, het World Peace Corps, in de
hal is vervangen door een portier in een uniform met gouden tressen. Joe Gould,
die zijn eigen kantooringang op de eerste verdieping markeerde met
granaathulzen, is dood, vertelt hij. Volgens de glimmend opgewreven borden bij
de ingang, is het gebouw nu gevuld met advocaten, procureurs, real estate
agents en adviseurs voor private investors. “It’s gone up in style”, knikt de
portier, als ik vertel dat ik dertig jaar geleden op ‘the third’ heb gewerkt.
Hij is te jong om te weten dat hier toen serieus de komst van een duizendjarig
vredesrijk werd voorbereid. Compleet
met afdelingen planning and control, research and development, audiovisuals,
international communications en human resources.
Mijn gedachten blijven dus op zijn stoep hangen. Ik mompel wat ‘thanks’ en ‘bye then’, tuur nog even omhoog naar het raampje waardoor ik toen op het asfalt van 16th Street keek en ga gauw met Janny terug naar het warme bloemenbed van John Walters.
De volgende morgen serveert hij ons in korte broek met schort erover zijn ‘John Walters One And Only Special Breakfast’ met sap, koffie, gebakken eieren, gebakken aardappelen, gebakken tomaat, toast en sweet rolls. “My family is from Scotland”, glimlacht hij bij wijze van uitleg, terwijl hij onze bloemetjesborden buiten onder de pergola op hun gebloemde onderzetters plaatst. “Enjoy.”