Twaalf
Het was ongeveer de grootste eer die me als volgeling van Maharaj ji te beurt kon vallen, dat nachtelijke telefoontje van Bob Denton, international president van de Divine Light Mission. Of ik wat kleren wilde inpakken en naar Denver komen om daar de contacten te onderhouden tussen het IHQ en de nationale afdelingen in Europa en Australië.
Ik had het in Nederland met mijn ‘eigen’ Divine Light Mission net heel plezierig voor elkaar. Zeker na de wispelturige strengheid van mijn voorganger. Die vond dat het leven van een volgeling een permanente test van zijn devotie was. Een test die hij bij voorkeur zelf organiseerde. Zoals tot de laatste dag voor vertrek geheim houden of ik wel of niet mee mocht naar India. “Mediteren, brother, gewoon mediteren. Het is allemaal in zijn handen.” Of toen ik ’s morgens op mijn fiets wilde stappen naar mijn uitzendbaantje als straatveger, opdracht geven om een ophaaldienst voor oude spullen te starten. Het werkte in Engeland en wij moesten het ook. Direct. “Maharaj ji wijst je de weg, brother.” Of die avond dat de huismoeder me gevraagd had op zolder de wasmachine leeg te halen en ik het niet kon laten om even naar mijn Carl Denig rugzak te kijken. Ik wist nog precies waar ik hem had opgeborgen, achter een paar dozen, helemaal in de punt. De dozen stonden er nog. De rugzak niet meer. Ik schoof een stapel boeken opzij die iemand daar bij zijn intrede in de ashram neergezet moest hebben. Niets. Misschien had iemand hem ergens anders neergezet. Ik mocht me hier niet druk over maken, maar ik kon niet meer stoppen. Op handen en voeten kroop ik over de stoffige houten planken en schoof ik tegen beter weten in dozen, vuilniszakken en oude koffers opzij. Kakikleurig, met een aluminium frame, superlicht, ijzersterk, gaat een leven lang mee, had de verkoper bij Carl Denig gezegd. Hij was weg. Zonder het wasgoed liep ik naar de keuken en vroeg aan de huismoeder of zij er iets van wist. Mijn rugzak. Ze keek me medelijdend aan. “Niet gehecht zijn”, was het enige wat ze wilde zeggen. “Hij heeft hem weggegeven”, fluisterde ze er toen achteraan. “Een meisje op doorreis, je weet hoe hij is”, zei ze en liet haar ogen veelbetekenend omhoog draaien. Klef, ja ik wist het. Slijmen bij de ‘sisters’. Met mijn rugzak dus. Ik kon de spottende lach al in zijn ogen zien als ik ernaar zou durven vragen.
Uiteindelijk vonden ze ook in Denver dat mijn voorganger de rol van god in het levensspel wat teveel naar zichzelf toe trok en kwam de opdracht dat ik de leiding over moest dragen van de ophaaldienst en winkel met tweedehands die we inmiddels hadden, om ‘general secretary’ van Divine Light Mission Nederland te worden. In plaats van ’s morgens vodden uitsorteren en daarna in de Goddelijke Winkel in de Van der Helststraat buurtbewoners van oude bedden, kasten en kleren voorzien, moest ik zelf een pak uit het rek plukken en in het nationaal hoofdkantoor aan de Achtergracht huizen, geld, bijeenkomsten en persoonlijke problemen van de ashrambewoners regelen.
Want die waren er. Zoals die jongen die ondanks de meditatie toch aan alle vragen die zijn hoofd bestormden een eind wilde maken door eerst in de ringvaart bij Diemen te springen en daarna in een elektriciteitsmast te klimmen en nat aan de draad te gaan hangen. Hij overleefde het en staarde me in paviljoen 3 van het Wilhelmina Gasthuis lamgeslagen door de medicijnen aan met de vraag of hij nu een slechte volgeling was. Een ander trok al zijn kleren uit en rende zo hartje winter door het centrum van Amsterdam om aan te kondigen dat de Lord of the Universe op aarde was gekomen en zijn kruistocht voor vrede was begonnen. Hij schopte een deuk in mijn borstkas en een gat in de deur van de kamer waar ik hem eindelijk in gekregen had, wachtend op de broeders van de GGD.
Ook met geld had ik het druk. We hadden teveel dure huizen, waaronder een extreem dure villa aan de Apollolaan die altijd leeg stond, wachtend tot de goeroe zijn Nederlandse volgelingen devoot genoeg zou vinden voor een bezoek. En te weinig mensen met hun voeten voldoende op de grond om een uitzendbaantje langer dan een dag of twee, en soms véél korter, vol te houden. Dus startte ik ook in Rotterdam, Den Haag en Arnhem ophaaldiensten en winkels, als een eigen vorm van werkgelegenheid voor de ashrambewoners die ronddoolden op de arbeidsmarkt. De formule was simpel en, zeker in de pre-kringloopwinkeltijd en met onbeperkte aanvoer van helpende handen, zeer doeltreffend. Per wijk deelden we elke weekdag foldertjes uit met de mededeling dat de Missie van het Goddelijk Licht de volgende avond spullen op kwam halen voor de Wereldvrede. Wanneer we met onze opgelapte Citroën HY-bussen de volgende dag kwamen aanrijden, stonden de zakken met kleren, dozen met serviesgoed en scheefgezakte dressoirs al langs de stoepranden. De rest kwam van zolders en uit schuren zodra we aanbelden. Met volle wagens reden we na een paar uur zingend ('For the times they are a-changing') weer terug naar de ashram. Een doodenkele keer belde iemand de politie om te vragen of we wel vergunning hadden (niet) en waar het geld eigenlijk heenging (de eigen organisatie, in deze fase van het verspreiden van wereldvrede). Dan moesten we een avondje verstek laten gaan, met gevolg dat de volgende morgen nog voor de Goddelijke Winkel open ging de eerste telefoontjes al binnen kwamen of we de spullen die klaar stonden zo snel mogelijk wilden komen ophalen. En zulke telefoontjes bleven komen, ook na zo’n wijkbezoek. Een oude kachel van driehoog achter. Of alles wat er nog over was van de inboedel van oma. Het leverde goed geld op, vooral omdat ik pas na verloop van tijd verstand kreeg van inkomstenbelasting en BTW.
Na een jaar of wat liep het allemaal op rolletjes. We hadden geld, hielden de boeken bij met een professioneel doorschrijfsysteem, betaalden zelfs onze belastingen en hadden in vier steden ashrams, ophaaldiensten en een goedlopende winkel in oude rommel. Onze auto’s werden in een eigen garage onderhouden en de folders met ‘goeroe Maharaj ji brengt eeuwige vrede’, kwamen uit de eigen offsetdrukkerij.
Drie jaar nadat ik in mijn geborduurde Marokkaanse hemd als een vraagteken door het Vondelpark zweefde, zoefde ik door Nederland in een Van Gilspak en een Triumph 2000 Overdrive, met huurcontracten, afsprakennotities, kasboeken en belastingcorrespondentie op de stoel naast me. Ergens had de zoektocht naar verlichting een onverwachte afslag genomen. En ik had het er, tot mijn eigen verbazing, prima naar mijn zin. Ik kon dit.
