Dertien

 

In Denver waren ze daar zeer over te spreken. Vooral de berichten over een kloppende boekhouding en overschot aan geld, waren daar met grote belangstelling ontvangen. Dus kocht ik een koffer waar mijn Van Gilspakken netjes in bleven en nam ik het vliegtuig naar Denver om daar, net als de rest van de wereld eigenlijk, elke dag naar kantoor te gaan. Daar maakte ik mailings voor de nationale hoofdkantoren, over hoe ze hun organisatie op poten moesten zetten. Omdat ik de plaatselijke situatie niet kende en ook geen idee had wat Maharaj ji eigenlijk wilde, bleef dat allemaal nogal onwezenlijk. Net als de telefoontjes om advies. Zoals Roberto, general secretary van Spanje, die ’s nachts was opgebleven om me tijdens kantoortijd te kunnen bellen over zijn huismoeder en ashramcoördinator die hij de vorige ochtend in de meditatiekamer had aangetroffen. Op de grond, samen, ‘you know’. Beiden kon hij onmogelijk missen. “What should I do?” Ik wist het ook niet en moest bovendien naar een vergadering over international program development, waarvan ik eigenlijk niet wist wat het was, en de financiering van de Grumman Gulfstream. Het was net een echt kantoor.

 

Ook andere dingen werden juist daar in het brandpunt van de Divine Light Mission steeds meer zoals in de rest van de wereld. Behalve zijn securitymensen, zijn persoonlijke verzorgers en ‘president’ Bob Denton kreeg niemand Maharaj ji zelf ooit te zien. Maar zijn manier van leven had wel invloed op de mensen die dat allemaal voor hem moesten regelen. Mijn ashramgenoot Joe Schwartz bijvoorbeeld, had als taak om films voor Maharaj ji te huren als hij van zijn ‘divine residence’ in Malibu California naar Denver kwam om met Bob zaken te bespreken. Zodra hij weer naar Malibu afreisde, sjouwde Joe projector, scherm en gehuurde films onze ashram binnen, waar we in het diepste geheim en met de wurgende vraag of we nu niet definitief van het pad waren gevallen naar Little Big Man en de Godfather keken. Twee favorieten van Maharaj ji, verzekerde Joe ter geruststelling.

 

En als naar een gehuurde film kijken blijkbaar kon, waarom dan niet in de bioscoop, vroeg Tom White, een andere huisgenoot uit de ashram in Franklin Street zich af. Hij werkte op Financiën bij ‘petty cash’ en kon daardoor altijd wel aan wat geld komen. Dus gingen we samen naar Denvers fifty cents theatre, een toevluchtsoord voor wino’s, verliefde stelletjes zonder eigen dak en liefhebbers van Woody Allen’s early funny ones die daar non-stop van acht uur ’s morgens tot middernacht draaiden. Voor vijftig cent kon je net zolang blijven zitten tot je alle grappen uit je hoofd kende.

 

En omdat Maharaj ji een motorhome had zo groot als een flinke stadsbus, compleet met keuken, badkamer en slaapkamer om Amerika te bekijken, vond Tom dat wij wel in de Ford Capri van Financiën naar Aspen konden, een ski resort zo’n driehonderd mijl verderop in de Rocky Mountains, die ik tot die tijd alleen uit de verte had gezien wanneer ik naar kantoor liep. Hij leerde me er hoe je op ski’s overeind moest blijven staan, we gingen naar de lokale hippiebioscoop (‘bring out your favourite smoke wear’) en sliepen bij een vriendin van hem van vóór hij bij Maharaj ji kwam. Meer fouten bij elkaar kon haast niet.

 

En omdat Maharaj ji op zijn zestiende trouwde met Marolyn, een volgeling die in zijn ‘divine residence’ in Malibu werkte, en daar zelfs een kind mee kreeg, vond ik al in Amsterdam dat ik wel eens voorzichtig de hand vast mocht houden van Stefanie, met wie ik altijd alles zo goed kon bespreken. In Denver miste ik haar. De Amerikaanse volgelingen waren ontzettend hartelijk en aardig, maar ik bleef daar in Denver toch een beetje rondlopen als een figurant die verdwaald is in de verkeerde filmset. En geen idee heeft waar de uitgang is.

 

Toen ik ongeveer een jaar in Denver was, maakte Maharaj ji een Europese tournee. Vooraf had ik alle landen waar hij heen wilde bezocht om te controleren of de premies ter plekke hun zaken voldoende op orde hadden om hem te ontvangen. Wat in de praktijk betekende dat zij voldoende geld en organisatievermogen moesten hebben om een bijeenkomst voor enkele duizenden mensen te organiseren en vol te krijgen en Maharaj ji en zijn gevolg een kleine week onder te brengen in het beste hotel van de stad. Ik bekeek dus of de zaal die ze gehuurd hadden groot genoeg was, de hotelkamers luxe genoeg en of er voldoende geld was om met Maharaj ji ‘de stad in te gaan’. Contact met de premies die hem in hun land ontvingen maakte hij niet, maar als hij de stad in ging, wat hij graag deed, moesten zij mee. Om te betalen. De horloges in Zwitserland, herinner ik me nog goed. De ene zaak in, de andere uit. Ik liep samen met de landelijke general secretary achter het groepje dat op zijn tocht langs de glimmende vitrines als een wolk om Maharaj ji heen hing. Hem zelf zagen we nauwelijks. We hoorden alleen zijn stem als hij aan een verkoper vroeg een horloge onder het gewapend glas vandaan te halen. Beviel het, dan kwam van Bob Denton een wenk in onze richting. Betalen. Terwijl we nog stonden af te rekenen, dreef de wolk al lang weer bij de volgende juwelier binnen.

 

Ondertussen was Bob Denton ook getrouwd, met zijn secretaresse, zodat ik ook voor hem in de hotels moest controleren of er wel gedacht was aan een tweepersoonskamer met een gezellig groot bed erin. Ik hoorde zelf niet bij de directe staf, dus als het gezelschap arriveerde, had ik al lang mijn slaapzak in de lokale ashram uitgerold en de huismoeder om wat hangertjes gevraagd zodat mijn pakken een paar dagen uit de koffer konden. En of ik even naar Amsterdam mocht bellen, waar ik steeds langere gesprekken had met Stefanie en uiteindelijk besloot dat ik ook wilde trouwen. Samen in een huisje, gewoon.

 

Na Goblin Valley rijden Janny en ik door Utah verder naar het zuiden, richting Bryce Canyon en de woestijnen van Arizona. De stadjes zijn kleurrijker en vriendelijker nu we interstate 70 hebben verlaten en via kleinere wegen naar het zuiden gaan. Het benzinestation en de general store staan gewoon aan een weg met twee rijstroken, de parkeerplaatsen zijn gekrompen, de gevels hebben houten veranda’s en behalve grasmaaiers en benzine zijn er winkeltjes met visgerei, cowboyhoeden, buckle belts en indianensieraden. De natuur is onafgebroken ‘stunning’, met dimensies waar je zelfs in een Chevrolet Impala alleen maar heel vertraagd in kan voortbewegen. Rode en roze beeldhouwwerken staan als wijze wachters langs de route.

 

Na veel zeuren bij Bob Denton, die het vervolgens weer met Maharaj ji besprak, mochten Stefanie en ik trouwen. Dus toen het hele gezelschap vanuit Europa terugvloog naar Denver, reden wij in de auto van de Divine Light Mission naar het stadhuis en de volgende dag naar de Rutgersstichting voor de pil, hoewel we nog nooit een kus gewisseld hadden. We hadden geen idee hoe dit binnen de ashram nu verder moest.

 

Volgende hoofdstuk.