Veertien

 

Direct aan de rand van de Navajo Reservation in Noord-Arizona wijken de rode bergen schielijk terug en maken plaats voor een stenig duinlandschap met een blikkerende zon erboven en een zwarte streep asfalt er doorheen. Houten palen met elektradraden aan de ene kant, spoorlijn aan de andere. We zijn alleen op de weg, zo ver als we kunnen zien. ‘Whooee ieee, ride me high’, zingen The Byrds. ‘You ain’t going nowhere.’

 

Het land is leeg, op een enkele indianennederzetting na, die van een afstand doet denken aan een Nederlands opvangcentrum voor asielzoekers. Eenvormige huizen, opgesteld in rechte rijen. Hier en daar een groepje kinderen of een oude auto. Verder niets. Je kunt er leven, maar dat is het.

 

Alles oogt stoffig, heet en slaperig, met als enige kleuraccenten de stopbordjes voor de schoolbus en soms opeens een polletje bloemen met kleine rode of blauwe blaadjes, dicht gevouwen tegen de zon. Of de indian market, zonder aankondiging op een stoffige vlakte naast de weg. Chevy heeft goede remmen, dus schuifelen we even later langs de kraampjes met spijkerbroeken, gympen, cd’s, kralenkettingen en kleurrijke indiaanse dekens. De kraampjes staan ver van elkaar, want de meeste bezoekers rijden er in hun auto langs, airco en muziek op volle toeren, met keurende blikken door het autoraam. We eten in een onwaarschijnlijk heet houten hutje Navajo Taco: gefrituurde taco, met veel bonen, kaas en uien erop. Wat niet meer in onze buik past, wikkelt de indiaanse kok in folie. Hij glimlacht naar Janny en mij. Voor onderweg.

 

Ook de Divine Light Mission wist niet zo goed hoe nu verder toen Stefanie en ik getrouwd en wel in Denver arriveerden tussen de celibataire brothers en sisters. De afdeling Huisvesting had in der haast een flatje voor ons geregeld, in een buurt ver weg van de ashrams. We kregen een eigen huishoudbudget en hadden een eigen huiskamer, slaapkamer, keuken en badkamer, alles ingericht met hoogpolig tapijt en donkere meubelen in Mexicaanse stijl. In de basement van het gebouw was een wasmachine en een droger, in de tuin was een zwembad voor de bewoners en in onze huiskamer stond een televisie. Dus zaten we in het weekend, net als ieder ander, ’s morgens aan de was, ’s middags aan de pool en ’s avonds voor de late night movies met reclame (‘you asked for it, you got it, Toyota’). En maandag weer naar kantoor. Piekerend over seks, want al snel bleek dat Stefanie veel liever brother en sister was gebleven.

 

De volgende morgen rijden we via highway 89 van de Navajo Reservation, waar we hebben overnacht in een school annex hotel vol zwijgzame indianen, naar het westen richting Grand Canyon. Een handgeschreven bord ‘Nice Indians Behind You’ langs de weg markeert de grens tussen indian reservation en national park. Tegelijk met een scherpe overgang naar groene bossen en spectaculair oprijzende bergen. Dezelfde zilveren sieraden en dekens die enkele kilometers terug op wankele kraampjes in het stof langs de weg te koop waren, kun je hier aanschaffen in een keurig ingerichte trading post. De peace pipe waar ik inmiddels mijn zinnen op heb gezet voor mijn home grown little friends thuis hebben ze er niet, vertelt een mevrouw die in strak gestreken rangersuniform achter de toonbank staat. Vast ook ‘behind you’, realiseer ik me te laat.

 

De canyon zelf is écht mooi, ook al moeten we er uitgestrekte parkeerplaatsen vol touringcars voor over hebben. Het is een beeldhouwwerk uit rode rotsen van tien mijl breed en bijna driehonderd mijl lang. Helemaal onderin stroomt de Colorado River, een lullig stroompje, verantwoordelijk voor deze enorme tempel om de schoonheid van de natuur te prijzen. Terwijl we met oh’s en ah’s het uitzicht proberen te bevatten, stijgt onder ons in de canyon een grote, zwarte roofvogel op. ‘Californian condor’, wijst iemand. Hij zweeft nu boven ons. De onderkant van zijn vleugels (‘three meters wide’, zegt dezelfde behulpzame buurman) heeft een witte tekening met getande randen, zoals een indian blanket. Ook de vleugels zelf zijn indian style, soepel, met zwarte franjes aan de randen. Hij zweeft. In grote, rustige cirkels glijdt hij vrijwel zonder enige beweging boven de canyon. Het zonlicht dan weer op zijn zwarte rug, dan weer op de witte indianentekening onderop zijn vleugels. Kleine, bijna terloopse bewegingen met de franjes van zijn vleugels zijn voldoende om net iets te kantelen en met een sierlijke bocht naar ons toe of van ons af te vliegen. Heen en terug, heen en terug. Hij laat zich wiegen op een hand van wind en warme lucht die omhoog rijst uit de canyon. Met a little help from his friends, trekt hij vloeiende lijnen in de lucht, van zwart naar wit naar zwart naar wit.

 

Ik sta daar, op de rand van de canyon en kijk ernaar terwijl de warmte mij ook optilt en zacht ronddraagt boven de wereld. Zonder gewicht. Tot de condor langzaam uit beeld glijdt.

 

In het bezoekerscentrum even verderop zoek ik naar iets over de Californian condor. Iets om mee te nemen, maar ik kom niet verder dan een blikken speldje van vijftien dollar. Evengoed aarzel ik. Dan kies ik voor het plaatje in mijn hoofd.

 

‘Everyone smiles as you drift past the flowers’, zingen de Beatles onderweg, verder naar het westen op interstate 40. ‘Waiting to take you away.’

 

Volgende hoofdstuk.