Vijftien
We arriveren zo rond een uur of vier ’s middags bij de Mojave desert, in het zuidoosten van Californië. Naar Las Vegas, daar vlakbij, willen we niet en nu nog de woestijn door, een rit van zo’n honderd kilometer door een verlaten en heet gebied, lijkt ons geen goed idee. Dus zoeken we een overnachtingsplaats langs Route 66 die daar telkens interstate 40 kruist en net als wij uiteindelijk afbuigt naar de woestijn. Nadat we de interstate verlaten hebben, rijden we zeker een half uur door verlaten, kaal land, op zoek naar Goffs, de enige plaats in de komende vijftig kilometer die in de lonely planet staat vermeld. Waarom snappen we niet, wanneer de smalle asfaltweg uiteindelijk een krappe bocht maakt en we voor een houten bord staan, schommelend aan een verroeste ijzeren standaard. ‘Goffs’, staat erop. ‘State of California. Number of inhabitants: 23’. Die 23 wonen in welgeteld vier huizen en één caravan, die over ongeveer een vierkante kilometer stof en hitte verspreid staan. Tenminste, dat nemen we aan, want zien doen we helemaal niets of niemand. Zelfs geen slapende hond of een klepperende hordeur waar we naartoe kunnen en vragen waar hier ergens in de omgeving een plek is om te slapen.
Bij een tankstation even verderop, waar het personeel van een nabijgelegen legerbasis als versteend in de hitte zit te staren, krijgen we te horen dat overnachten hier in de buurt niet gaat lukken. Voor een slaapplaats moeten we vijftig mijl omrijden, naar Ludlow. Als we geluk hebben. Anders honderdvijfendertig mijl door naar Barstow of vandaar nog een honderd mijl verder naar Los Angeles. Dat is volledig uit de route, dus we mikken op Ludlow.
Ludlow blijkt geen stadje en eigenlijk niet eens een dorp. Ludlow is een benzinestation annex minimart aan Route 66 (‘open 24 - 7’), met daartegenover een café annex snackbar (‘breakfast - lunch - dinner’) en een laag, versleten gebouwtje met een TL-lichtbak ‘Motel’ ernaast. Bij de lichtbak staat een roestige Chevrolet pick up voor een houten keet met een bordje ‘office’ op de deur. De deur zit dicht. Ook bij de deuren van de motelkamers is niemand te zien. Ik loop de houten keet rond, op zoek naar misschien een tweede ingang, en zie pas als ik weer aan de voorkant ben een briefje dat met een kromgebogen punaise in het hout van de deurpost zit geprikt. ‘For vacancies see minimart’.
De man die daar achter de toonbank staat en dus blijkbaar 24 - 7 niet alleen benzinestation en minimart heeft maar ook het motel, laat zijn hoofd ver achterover hangen en kijkt ons vervolgens langdurig met één oog aan. “A double bed hai?”, weet hij op een manier te vragen dat we zelf ook aan onze goede bedoeling beginnen te twijfelen. Uiteindelijk hakt hij de knoop door. “That’ll be 55 plus tax.” We schuiven de cash over zijn toonbank. Hij werpt er een sleutel op.
We betalen en waden door de hitte met onze sleutel terug naar het motel. Het hardboard van de deur voelt aan alsof voorzichtigheid geboden is, vooral als het tapijt in de kamer de onderkant van de deur danig in de weg blijkt te zitten. Een zware geur van desinfecterende middelen slaat ons tegemoet, maar er staat een grote king size boxspring en er is airco. We schuiven het aluminium raam dat scheef in zijn sponningen hangt met enige moeite dicht en zetten de airco aan om iets aan de hitte te doen die als een vuilniszak over ons heen hangt. Hij werkt. Net als, na enige protesterend gebonk, de kraan en de wc.
Wanneer ik even later met twee plastic tassen van de minimart terugkom, waar ik wat ijs en drinken heb gehaald, verspert een groep rommelig ogende raven me de weg. Ze zijn groter dan ik zou willen, kijken me met scheef gehouden koppen aan en krijsen doordringend. Hun bekken hangen open. De voorste hipt een paar passen dichterbij en maakt een hakkende beweging met zijn snavel naar één van de boodschappentassen. Pas wanneer ik ermee zwaai en een paar keer flink in het stof stamp, gaan de beesten ietsjes achteruit. Met een klein, schuin sprongetje. Net aan genoeg om me door te laten.
Even later sta ik, nog een beetje beduusd, onder de douche. Het water komt in onverwachte stoten uit de bonkende leiding. Het douchegordijn is van doorzichtig plastic en kan zich nog net aan zijn laatste paar ringen vastgrijpen. Wanneer het bij de volgende waterstoot met een klamme hand mijn buik grijpt, roep ik naar Janny en of ze er wel is.
"Geen zorgen."