Zestien

 

Daar zat ik dan. In een stad waar ik altijd op bezoek zou blijven, in kleren die niet bij me pasten, in een appartement dat meer iets voor mijn vader en moeder was, met werk in een kantoor zoals ik het altijd had willen vermijden en ’s nachts in bed naast een vrouw die het van het idee al benauwd kreeg.

 

En op het IHQ was het ondertussen crisis. Steeds meer mensen verlieten de ashrams om, net als Maharaj ji, te gaan trouwen en kinderen krijgen. Daardoor daalden de inkomsten, terwijl de organisatie een paar jaar daarvoor een megaschuld had opgebouwd met de huur van het Houston Astrodome. ’s Werelds grootste overdekte stadion, toen tenminste, waar Maharaj ji zijn duizendjarig vredesrijk zou aankondigen. Dat deed hij, maar de tienduizenden volgelingen die daar naar kwamen luisteren en zijn voeten kussen, brachten niet genoeg geld mee om de huur van het stadion en de duizenden hotelkamers eromheen te betalen. Dat zou wel goed komen, was de verwachting, tot het ene pand na het andere leeg kwam te staan en het lastig werd om zelfs de kruidenier die de ashrams van eten voorzag nog te betalen. Zeker in Denver, met zoveel mensen die in het eigen kantoor werkten. Het managementteam, waar ik ook in zat, vergaderde en vergaderde, tot we nog maar één oplossing zagen: Maharaj ji. Zijn zakgeld van vijfhonderd dollar per dag moest door de helft. Auto’s en huizen moesten verkocht. Misschien zelfs zijn motorhome. Bob Denton zou naar Malibu gaan om het hem te vertellen.

 

De volgende dag kwam hij terug, met Maharaj ji. En de mededeling dat we allemaal waren ontslagen. Diezelfde dag moesten we in zijn divine residence verschijnen. We wachten in de satsangkamer, een beetje zoals wanneer je vroeger met een groepje bij de conrector moest komen. Leunend op elkaars bravoure om dat holle gevoel van binnen te ontlopen. Eindelijk kwam hij. We kusten één voor één zijn voeten die op een wit zijden kussentje lagen. Vanaf zijn met goudkleurige doeken beklede stoel keek hij naar ons, zittend op de vloer. “You know”, zei hij toen, zijn woorden één voor één neerzettend, “it is not up to you to interfere with the life of the perfect master.” Daarna stond hij op en verliet de kamer, Bob Denton achter hem aan, met een gebaar naar ons dat we moesten blijven waar we waren. Een half uurtje later kwam Bob de satsangkamer weer binnen, met de grijns op zijn gezicht van die ene uit de groep die ook bij de conrector gewoon stoer is gebleven. En daarmee heeft gescoord. We waren allemaal weer aangenomen. Bob had uitgelegd wat er zou gebeuren als we echt zouden opstappen.

 

Teruglopend over Colfax Avenue naar mijn appartement met het hoogpolig tapijt in de badkamer en de keuken van donker hout, miste ik het gevoel van spijbelen van de vorige dag toen we opeens allemaal ontslagen waren. Net als toen die keer dat ik, onderweg naar de kleuterschool, me met een plotseling inzicht in mijn mogelijkheden omdraaide en gewoon terugliep. Weg van die donkere deur die zo zwaar was dat je hem onmogelijk alleen open kon krijgen. Weg van de speelplaats waar je altijd maar moest afwachten of je ook vandaag de vechters te vriend kon houden. Weg van de zuster, die je zou helpen en beschermen, maar gewoon eng was, met haar harde, witte kap die rode striemen achterliet op haar hals en voorhoofd. Vrij. Je weet dat de hemel naar beneden valt als je het doet. Dat moest dan maar.

 

De volgende dag stapte ik het kantoor van Bob Denton binnen. “Ik blijf liever ontslagen”, vertelde ik hem. Het was een kort gesprek. Hij begreep het, zei hij. Er was ook zoveel gebeurd.

Ik kon bij ‘Travel’ een ticket naar Amsterdam regelen. Daar kon ik ongetwijfeld iets voor de Divine Light Mission doen. Niet meer in een ashram, dat was natuurlijk duidelijk.

 

Terwijl ik onderweg was uitgestapt en met K en Jody New York bekeek, belde diezelfde Bob Denton met iedereen in Europa die ik kende binnen de Divine Light Mission. Elke vorm van contact met mij was verboden. “He dropped out. Stay away.”

 

In Amsterdam werd die opdracht een paar dagen genegeerd, zodat ik in elk geval zonder een cent op zak van Schiphol vandaan kon komen en de eerste nachten een bed had. Gelukkig bleek daarna de goddeloze wereld van illusie zonder rancune klaar te staan om me te helpen bij mijn wankele schreden terug. Bij de universiteit kon ik binnenkomen, ook al was het collegejaar al lang begonnen. Een studentendecaan luisterde naar mijn verhaal en regelde een beurs. De mevrouw bij de stichting studentenhuisvesting luisterde en regelde een flat in Diemen. Mijn broer hoefde niet te luisteren. Die stond daar, zodra ik de sleutel had, ongevraagd en onaangekondigd voor de deur met een pot verf en een kwast. “Ik kom helpen”, zei hij. Hij deed de plafonds, waar ik altijd ontzettend tegen op zie. "Janny vroeg laatst nog naar je", zei hij toen hij weer op zijn fiets stapte.

 

Volgende hoofdstuk.