Zeventien
Ludlow kent duidelijk zijn klassiekers, maar evengoed trekken we ’s morgens ongeschonden de bordkartonnen deur van onze kamer in het motel achter ons dicht en stappen onder het toeziend oog van twee raven in onze Chevrolet. We hebben twee woestijnen voor de boeg: Mojave desert en meteen ten noorden daarvan Death Valley. In de heetste tijd van het jaar. “Ga je auto niet uit. Denk niet ‘ik ga even een stukje lopen’”, waarschuwde onze buurman en enige medegast in het motel. “People die out there”, benadrukte hij. En door de droogte en hitte vind je niets van hen terug. “Not a trace.”
Voor de zekerheid slaan we in Ludlows minimart vier liter water in, vullen onze koelbox met een flinke laag ijs uit de ijsmachine en schuiven twee pakken chocolate chip cookies in de achterklep van de Chevy. De tank zit vol, de airco bromt als een zonnetje. Hoe erg kan het wezen. Als goede Nederlanders hebben we moeite enige andere natuurkracht dan stijgend water serieus te nemen.
De dag begint om acht uur met een milde dertig graden, vertelt het dashboard van de Chevy ons. Zweten is er niet bij, want binnen blaast de airco en buiten veegt de droge, warme wind onmiddellijk alle vocht weg. Met nauwelijks ander verkeer om ons heen schuiven we over interstate 40, hier en daar een personenauto of een vrachtwagen vol glim en chroom met twee of drie trailers achter zich aan. ‘Mojave Desert National Preserve’, staat er bij onze afslag richting Kelso. ‘No Services’. En vervolgens is het leeg. Pollen helmachtig gras, een enkele kromgetrokken struik, zandduinen, rotsen en hitte. Als we het raampje opendoen om de lange rechte weg voor ons te fotograferen, rolt de warmte als een bol watten ons aircokoepeltje binnen. Achter het voorruit van de enkele tegenligger die we nu nog tegenkomen, gaat steevast een hand groetend omhoog. ‘Oké buddy.’ Grillig gevormde cactussen, leveranciers van de mescaline van lang geleden, staan met hun getergde bast in het hete zand. Wanneer de weg richting Kelso en Death Valley daalt, stijgt de temperatuur tot 35 graden en veranderen de stenen bergen in sculpturen van grof zand. Soms grillig, als zachte bergen. Soms onwaarschijnlijk recht en symmetrisch, als tempels of kastelen. Van de begroeiing is alleen hier en daar een polletje piepkleine bloemetjes over. Ook de laatste automobilist is uit beeld verdwenen. 'Everybody is gone but me and you', zingen we samen met Dylan.
Naarmate de weg verder daalt van zo’n duizend meter hoogte naar uiteindelijk ruim vijfentachtig meter onder zeeniveau in Death Valley, wordt duidelijk waar de plek zijn naam aan dankt. Zesenveertig graden, meldt Chevy inmiddels. Langs de weg staat een tank ‘radiator water’ voor noodgevallen. We stoppen, stappen toch even uit en proeven van de droge zoutkorsten op de bodem van wat vroeger zee was. Het water dat in smalle stroompjes over de zoute bodem loopt, heeft de plek zijn naam gegeven: Badwater. In de verte schittert de eeuwige sneeuw op Mount Whitney, met ruim 4.300 meter de hoogste bergtop van Amerika. We doen onze armen wijd om te voelen hoe de hitte ons bijna optilt.
We overnachten in Stovepipe Wells, een houten dorpje middenin Death Valley. Achtenveertig graden, meldt een thermometer in de schaduw. Pas tegen middernacht, wanneer we op een grasveldje voor onze kamer naar de sterren liggen te kijken, daalt de temperatuur een paar graden. Bij het licht van een zaklantaarn lees ik Janny het laatste stukje voor van mijn notities over toen. Daarna knip ik het lichtje uit. In het donker houden we elkaars hand vast.
Wanneer we ’s morgens naar de plaatselijke diner lopen voor een ontbijt, volgen ook hier de raven ons, met schuine hipjes en hun ogen strak op ons gericht. “Kaaa, kaaaa.” “Take care of us”, bedoelen ze, zegt de man achter de kassa. Bij hem kloppen ze zelfs ’s morgens vroeg op de keukendeur. “Take care of us.” En dat doet hij. Hij kent ze allemaal van geluid en staat van rafeligheid. “Ze praten ook tegen me”, vertelt hij. “Geen Engels natuurlijk, maar ik zeg dan ‘hé little fellow’, en dan kletsen ze op hun manier terug.” Hij kijkt vertederd hoe één van zijn little fellows een stuk stokbrood naar binnen schrokt, terwijl een ander het hem ondertussen afhandig probeert te maken en een derde ons in de gaten houdt. “They’re something special”, besluit hij.
Wanneer we daarna onze koffers weer hebben ingepakt en achterin de Chevy gezet, gaat het opeens mis. De sleutel van de auto is weg. Het kan niet, maar het is zo. Ik heb hem het laatst gehad om de achterklep open te maken en nu is hij er dus niet meer. Terwijl de temperatuur alweer ruimschoots de dertig graden is gepasseerd, zoeken we allebei op plaatsen waar hij nooit kan liggen. Onder de auto, in de uitlaat, bij het reservewiel, in bed, achter de televisie. Hij is en blijft weg. We hebben een reservesleutel, maar die zit samen met de sleutel die we kwijt zijn aan één ring die niet open wilde. Sleutel, sleutel, sleutel, geen sleutel. Zonder sleutel kunnen we niet rijden. Zonder sleutel kunnen we de airco niet aanzetten. Zonder sleutel kunnen we niks. Zonder.
Ik zak in een stoel.
“Het spijt me zo verschrikkelijk”, zeg ik tegen Janny.
Zij heeft ondertussen haar koffer weer opengemaakt en gooit haar kleren op het bed omdat dat ding toch érgens moet zijn. En dan zie ik hem. In het holletje waar de inschuifbare trekstang van de koffer in valt. Er in gegleden bij het optillen, want opeens weet ik weer dat ik hem daar had klaargelegd. Ik loop naar de koffer toe en vis het glimmende bosje sleutels eruit.
“Krijg nou wat”, zegt Janny.
We laten ons achterover op het bed vallen, tussen alle kleren.
“Wat bedoelde je nou?” vraagt Janny.
“Waarmee?”
“Dat het je spijt.”
“Ik weet niet. Gewoon. Alles. De stommiteit.”
“Nou, dat was het wel ja.”