Achttien
De avond daarna overnachten we aan de oostelijke kant van Yosemite National Park. We hebben een kamer in een houten motel aan de rand van June Lake en kijken ’s avonds uit op donkere bomen en azuur gekleurd water. Op het moment dat licht en donker precies om elkaar heen hangen, loopt een stille man over het vlakke stukje gras voor onze veranda. Hij tuurt in het verlichte schermpje van zijn digitale camera. Het water. De zwijgende bergen eromheen. De inmiddels bijna zwart geworden dennenbomen als donkere schildwachten. Nu zie ik waar hij voor komt. Een diepblauw gekleurde vogel met een zwarte kuif, ongeveer zo groot als een kauwtje, vliegt rondjes in de laatste baan zonlicht die op het azuurgroene water valt. Het blauw van zijn veren licht telkens fel op als hij zijn draai maakt, en maakt een donkere streep op zijn sierlijke terugweg.
De man volgt de vogel met zijn camera. Naar links. Stukje naar rechts. Weer naar links. Dan drukt hij af. Hij laat de camera zakken en bekijkt op het schermpje het resultaat. Hij neuriet. Hij heeft het. Langzaam en zonder ons te zien of iets te zeggen loopt hij weer weg. De eerste sterren verschijnen.
De volgende dag rijden we na het ongenaakbare graniet, de schaduwrijke dennen, de giant sequoia’s en de vele toeristen van Yosemite Park onze laatste etappe naar San Francisco. De overgang van natuur naar stad gaat geleidelijk. Eerst worden de bergen lager, dan verschijnen er weilanden en boomgaarden tussen de bossen en uiteindelijk is de weg vlak en recht en rijden we tussen strawberry fields, walnotenboomgaarden, olijven, kersen, abrikozen, perziken en druiven. Zo’n beetje elke tien of twintig mijl is hier een dorpje met benzine, hamburgers en koffie in bekers van een halve liter. Small size. De huizen zijn hier groot en goed onderhouden. Zelfs de trailer parks die bijna elk dorp rijk is, staan vol glimmend gepoetste stacaravans. Going west, is nog steeds vol beloften.
Dan houden ook de boomgaarden op en rijgen de dorpen, trailer parks, repair shops, velden met used cars ( ‘mega sales’) en bedrijventerreinen zich aaneen en staan we met een schok voor het eerste verkeerslicht sinds dagen. Niet lang daarna voegen we in op interstate 580 naar San Francisco.
Een stad die meteen vraagt om te blijven. Bij het binnenrijden over de twee verdiepingen hoge Bay Bridge. Bij de geur van water, zout en vis. Bij de vele houten huizen, geschilderd in blauw, geel, roze en groen. Bij de frisse lucht die uit de oceaan omhoog wolkt, zodat we voor het eerst sinds Denver zonder airco kunnen slapen. Raam open.
Op de baai niet ver van onze hotelkamer laten schepen met hun misthoorn weten dat ze er zijn. Op straat huilt een vrouw. Een man roept ‘fuck’. Heel veel later zingt een man een lied in het Spaans. Het klinkt als iets uit een opera, klassiek, met lang aangehouden tonen. Een mooi lied. Voor niemand. Voor iedereen. Voor zichzelf. Het geluid komt en gaat. Sierlijk en zuiver door de stille nacht. Ik hoor hem zingen tot hij buiten gehoorsafstand is.