Twee

 

New York. Ik was vergeten hoe mooi afgeragd deze stad eruit ziet. Roestige brandtrappen langs verveloze gevels. Verbleekte kleuren, verwaaide reclameborden. Als een paar door en door versleten schoenen die zo lekker sloffen dat je ze nooit meer kwijt wilt. Het straatbeeld in de East Village, waar we voor vier dagen achter zo’n zelfde brandtrap wonen, sluit daar naadloos bij aan. T-shirtjes slobberen, veters hangen los, gympen hebben gaten, de buurman zit op de stenen trap voor zijn huis in de zon. Nobody cares.

 

Ik had besloten de Divine Light Mission van goeroe Maharaj ji te verlaten, toen ik hier ruim dertig jaar geleden voor het eerst kwam. Een tussenstop op de reis terug naar Amsterdam vanuit Denver, waar ik op het ‘International Headquarters’ voor de goeroe de contacten had onderhouden met zijn ashrams in Europa en Australië. In de vijf jaar daaraan voorafgaand, toen ik zijn volgeling was, zou het niet in mijn hoofd zijn opgekomen zo’n toeristisch uitstapje te maken. Want de waarneembare wereld om ons heen is niets dan ‘maya’, leerde Maharaj ji[1]. Illusie. Valse verleiding voor de zoeker naar verlichting. Alleen de echt verlichte mens kon ermee omgaan en mocht ermee spelen. Daarom kon de goeroe zich vermaken in zijn ‘mansion’ op de heuvels van Malibu Beach, met in de garage een Maserati Convertible, een Rolls Royce Silver Shadow, een Cadillac Seville en een Mercedes SEL. En kon hij dromen over een eigen Grumman Gulfstream 12-persoons jet, zijn grootste wens destijds. Ik kende de folders, die binnen de Divine Light Mission met een gefluisterde toelichting op het goddelijk spel van de goeroe werden doorgegeven. Als ‘Jezus returned’ was de aarde en alles erop immers voor hem. Aan de echte volgeling de eer het hem te mogen bezorgen. Soms letterlijk, zoals de Duitse ‘general secretary’, hoofd van de nationale afdeling van de Divine Light Mission, die met honderdduizend Duitse marken in briefjes op zijn lichaam geplakt naar Londen was gevlogen om de bestelde Rolls Royce voor de goeroe af te betalen.

 

Maar een goede volgeling hield zich zelf verre van materie en andere illusies die hem van het pad naar verlichting konden doen tuimelen. Dat was ook de reden dat ik in de anderhalf jaar dat ik in Denver woonde en op het IHQ werkte weinig tot niets van Amerika had gezien, en wat ik zag als het ware met afgewend gezicht beleefde. Een houding die onverwachte gevolgen had, overigens. Waar ik daarvoor, zwevend door het Vondelpark, geen idee had hoe ik ooit de aansluiting zou moeten vinden met de wereld van kantoren, banen en geld verdienen, en dat eigenlijk ook niet wilde, bleek ik met afgewend gezicht juist in die wereld van alles te kunnen. In de ruim drie jaar voor ik het telefoontje kreeg dat ik naar Denver moest komen, zette ik in Nederland in vier steden ophaaldiensten voor gebruikte spullen op, met de bijbehorende sorteerderijen, doorverkoop naar verwerkers van lompen en oude metalen en eigen winkels om de bruikbare spullen te verkopen. Waar ik in het eerdere, gewone leven mijn baantje als verpleeghulp in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis ruimschoots overbetaald vond, veroorzaakte ik als volgeling van Maharaj ji geldstromen die zoveel bijdroegen aan het goddelijk spel van de goeroe dat zijn ‘international president’ mij naar zijn IHQ riep.

 

Volgende hoofdstuk.



[1] Toen de naam voor Prem Pal Singh Rawat, geboren in 1957 in Hardwar, India. Inmiddels treedt Maharaj ji in de publiciteit als Prem Rawat, daarbij ondersteund door de organisatie Elan Vital.