Drie

 

New York dus. Op een gegeven moment geloofde ik niet meer in rondlopen in een driedelig pak. Ik geloofde niet meer in de dagelijkse gang naar het kantoor, de zes complete verdiepingen van een massief stenen gebouw in downtown Denver die de Divine Light Mission huurde van wapenfabrikant Joe Gould. Ik geloofde niet meer in de vergaderingen over ‘international communication systems’, ‘financial planning and control’ en de vraag die daaronder verborgen lag, hoe de enorme stapel rekeningen betaald moest worden. Ik geloofde niet meer in het slapen op de grond in een kamer met minstens vier of vijf anderen. In eten dat niet lekker mocht zijn omdat het je alleen maar van het rechte pad hield, om over vrouwen maar te zwijgen. En ik geloofde niet meer in een goeroe die niet bereid was zijn zakgeld van vijfhonderd dollar per dag met een dubbeltje te verminderen om de organisatie uit de financiële nood te helpen. Maar eigenlijk was dat niet meer dan een aanleiding. Het leven dat ik leidde, bracht me gewoon geen stap dichter bij wat ik zocht: vrede met het bestaan. Ik wilde gewoon een huis en een vrouw en een kind. Ik wilde mijn eigen leven terug.

 

Dus dacht ik, eigenlijk toch wel van de ene dag op de andere: ik stop ermee. Ik ga terug. Kijken of ik een studiebeurs kan krijgen, een plek voor mezelf, een leuke studie. En als ik dan toch naar huis vloog, zeiden ‘K’ en Jody, twee huisgenoten uit Denver die kort daarvoor een soortgelijke stap hadden gemaakt, "dan moét je in New York langskomen". Toch nog iets van Amerika zien. “Eigenlijk”, zei K (ik meen van Kendric III, maar niemand zei dat voluit), “eigenlijk moet je er doorheen rijden. Dwars door Amerika’s platteland. Dan zie je hoe het leven hier er echt uitziet. En dán naar New York. De bekroning.” Hij wilde wel rijden. Zijn vader was één van de grootste bierbrouwers van de Verenigde Staten. K was bij de goeroe gegaan en zijn vader wilde hem daarom niet meer kennen, maar ‘wheels’ waren binnen zijn familie altijd nog wel te regelen. Ik had alleen helemaal níets. Na mijn afvallige gedachte was ik al blij dat ik een koffer met wat kleren mee mocht nemen en een ticket naar Amsterdam kreeg. “Je kunt zonder extra kosten een tussenstop in New York maken”, knobbelde K meteen uit. Met alle mileage die ik het afgelopen jaar op mijn tochten voor de Divine Light Mission bij elkaar had gevlogen, zou Pan Am dat met genoegen voor me regelen. K kende de wereld. En ik kon bij haar ouders in Brooklyn (‘Bwwoeklin’) logeren, zei Jody, dus ook aan die kant was het ontbreken van geld geen probleem. Hoe ik dat in Amsterdam verder moest doen, wist ik niet, maar oké, New York dus, besloot ik terwijl ik met K en Jody in de tuin van de ashram stiekem een flesje Coors Light dronk om ons afscheid van het ascetische leven te vieren.

 

Voor ik weer vlees durfde te eten, duurde veel langer. Ik woonde toen al op een studentenflatje aan de Rode Kruislaan in Diemen en studeerde sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Geen idee hoe ik iets van vlees klaar moest maken, want toen ik op mijn achttiende op een kamer aan de Vrijheidslaan in Amsterdam ging wonen, was mijn hoofd al vol gedachten over yogi’s, het derde oog en de aarde ontstijgen. Elke avond kauwde ik mijn bruine rijst met zeewier vijftig maal om het yin-yangevenwicht van het zenboeddhisme te bereiken. Elke ochtend stond ik op mijn hoofd om mezelf los te zingen van aardse beslommeringen. Waarna ik de eerste waterpijp van die dag klaarmaakte. Een gehaktbal braden of een kippetje roosteren had ik daardoor nooit geleerd en dus fietste ik een half jaar na het verlaten van de Divine Light Mission en het verzamelen van voldoende moed naar de enige snackbar die Diemen toen rijk was en bestelde een kip. Geen drumstick? Geen bout? Geen halve desnoods? Nee, meteen maar doorbijten dacht ik zo en dus borrelde een hele kip in de frituur en hing daarna met een bruin korstje aan mijn fietsstuur, schommelend in zijn plastic tasje. Thuisgekomen moest ik even slikken van het doffe plofgeluid dat het kippetje in zijn zakje maakte toen ik hem op de linoleumvloer van mijn studentenflat zette. Als de eerste schep zand op een grafkist. Maar ik heb hem toch dapper opgegeten. Helemaal, druipend frituurvet en al. Heerlijk.

 

Volgende hoofdstuk.