Vier

 

En nu zit ik dus in datzelfde New York dat toen met K en Jody toch een beetje achter glas bleef liggen. Een wereld van anderen waar ik niet bij kon. Ik denk omdat het mijn eerste schuchtere poging was om terug te stappen in een wereld waar ik vijf jaar lang mijn gezicht van had afgewend. En omdat ongetwijfeld voor K en Jody hetzelfde gold en werd opgeteld bij het Italia-chauvinisme van Jody’s familie die eigenlijk alleen Brooklyn (voor de hele familie ‘Bwwoeklin’) als een plek in New York beschouwde waar menselijk leven mogelijk was. Alles buiten die wijk, met zijn stevige, Victoriaanse huizen, oude bomen en vergezichten op Manhattan, bezochten we daarom uitsluitend in de auto van Jody’s moeder. Vergezeld van de uitdrukkelijke instructie om in Chinatown, àls we daar al wilden kijken (‘who on earth wants to go there?’), de autodeuren stevig op slot te doen en de ramen strak naar boven gedraaid te houden. Ik keek naar New York, maar zag het nauwelijks.

 

Jammer. Denk ik, nu ik hier ruim dertig jaar later bij een Italiaans kroegje om de hoek van ons slaapadres in de East Village aan één van de vier wiebelige tafeltjes zit die buiten de scheve stoeptegels trotseren. Warme wind langs de gevel, karafje witte wijn op het ijzeren tafeltje. Buurtbewoners die er net zo afgeragd uitzien als de gebouwen en straten om ons heen. Een oudere man aan het tafeltje naast me leest een uur lang in zijn boek op één kopje koffie. De eigenaresse glimlacht en zet een nieuw glas water voor hem neer.

 

Eerder diezelfde zondagmiddag slenterden we, net als zo te zien alle andere New Yorkers, door Central Park. Het was warm, mensen hadden nauwelijks kleren aan, lagen soezerig op het gras, maakten muziek, draaiden rondjes op hun skates, zwierend op muziek die via een draadje alleen in hun eigen oren klonk. Op een open plek dansten vijf grote, zwarte jongens, maakten het publiek aan het lachen en haalden geld op in buitenmaatse vuilniszakken. “If you think five bucks is a lot for a show like this, we say: you can do better. If you think ten bucks is a lot, we say: get a job man.” Ze imiteerden levensecht de loop van een krab, sprongen schijnbaar moeiteloos over elkaar heen (‘don’t try this at home, kids, try it at school’) en huppelden op hun handen een brede, statige trap op waar ze, onder luid gejuich, afscheid namen. Ik lachte en klapte voor het New York dat mijn ogen toen, na vijf jaar Divine Light Mission, niet konden vinden. Niet meer gewend om naar het gewone leven te kijken.

 

Ik kan het eigenlijk wel aanwijzen misschien. Het begin. Of in elk geval de duw in de richting van een goeroe en een leven als een monnik. Het was op een maandag. Zonnig net als nu. De studie filosofie waar ik na de middelbare school mijn vragen over het leven had willen beantwoorden, had ik al na een paar maanden voor gezien gehouden. Statistiek en kansberekening waren niet mijn idee van de weg terugzoeken naar dat gevoel dat vroeger mijn hoofd binnenstroomde wanneer ik als misdienaar de grote paaskaars aanstak terwijl het kerkorgel dreunde en de hele kerk gloria zong omdat god onder ons was. Of als op zaterdagmorgen, nadat ik fluisterend tegen een gezicht in het halfdonker mijn zonden had gebiecht (‘mijn broer gepest, gekletst in de klas’), de pastoor het kruisteken maakte en zei dat god mij alles had vergeven. Huppelend door witte straten naar huis, was alles goed van binnen. Tot de volgende zonde.

 

Goed werk doen, dacht ik na het opgeven van de colleges statistiek. Dus werkte ik als verpleeghulp in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis en vroeg me af hoe nu verder. Al drong die vraag steeds minder door de glazen stolp die de dagelijkse waterpijpen en pilletjes over me heen zetten. Zoals de mescalinetrip op die zonnige dag. Overgeschoten toen ik één van de bloemenkinderen in het Vondelpark in contact had gebracht met de vrouw met de groene ogen. “Heftig”, had ze erbij gezegd. Dus zei Fred Winkelman, een goede vriend, dat hij bij me zou blijven als ik de trip nam. We waren op zijn kamer, ergens dichtbij de Westerkerk aan een pleintje met oude bomen. Fred studeerde theologie en had een baard en een vrijwel kaal hoofd dat met zijn ogen mee glom als hij lachte, wat hij vaak deed. De ramen, bijna zo hoog als de kamer, stonden open. De mescaline maakte het beeld zacht en bijna vloeibaar. Het zonlicht viel in bundels door met zilver getekende gaten in een pluizig wit wolkendek. Hoog in de lucht gleed een zwerm vogels van bundel naar bundel. Als de handen van een flamencodanseres draaiden ze afwisselend hun witte buik en zwarte rug van donker naar licht. In een spel met de zon en de wolken trokken zij vloeiende lijnen in de lucht, van zwart naar wit naar zwart naar wit. Ik zag alleen nog maar die vogels op hun zwierende vlucht en opeens viel alles op zijn plek. Ik zag de wereld ademhalen. Zo eenvoudig. ‘Kijk mam, zonder handen!’ Fred lachte. "And if you see... don't make a sound", neurieden we zachtjes mee met Pink Floyd.

 

Het leven, with a little help from my friends. Zo moest het. Maar bij het legen van de urinebokalen en het wassen van slap toevallende oudevrouwenbillen, verdween dat onwillekeurig weer uit beeld. Ondanks een snelle waterpijp tussen de middag in het Oosterpark. Tot die Amerikaanse patiënt op doorreis vanuit India met hepatitis-B op mijn zaal 9 kwam. Hij had een goeroe gevonden. Die had hem een meditatietechniek geleerd waardoor je het leven in zijn zuiverste vorm kon ervaren. Altijd. Overal. Het begin van een nieuwe wereld. Hij ging zich aan die goeroe wijden. Ik gaf hem zijn pot, zijn schone lakens, zijn antibiotica en heel veel aandacht. Na een paar dagen bezocht ik de Amsterdamse ashram van zijn goeroe en wist het. De serene rust in het huis, de wijze glimlach op de gezichten, de geur van wierook, de liedjes bij een fluisterende gitaar: alles klopte. Hier wilde ik bij horen. Ik zei meteen de volgende dag mijn baan en mijn kamer op en bracht alles wat ik aan spullen en geld had naar het Leger des Heils. Daarna meldde ik me met slaapzak en wat kleren (altijd verlangd naar één tas - in dit geval mijn Carl Denig rugzak aangeschaft van mijn eerste salaris in het ziekenhuis - als maximale bagage in het leven) bij de ashram van de Divine Light Mission van Maharaj ji. Daar kreeg ik te horen dat ik moest wachten. Tot ik klaar was voor een leven van meditatie, toewijding en devotie. Ik boog diep voor de foto van de veertienjarige goeroe, die in een goudkleurige lijst op een stoel met een glimmend kleed erover in de ontvangstkamer van de ashram stond. Wat mij betreft was ik er helemaal klaar voor.

 

Gelukkig kon ik tijdelijk in de flat van mijn oma terecht, die permanent bij één van haar kinderen logeerde. Daar, op de vloer tussen haar oude zware bankstel en haar televisie in een houten kast, rolde ik mijn slaapzak uit. Op het glimmend gepoetste salontafeltje zette ik een kleine versie van de foto die op de stoel in de ashram stond. Het wachten was op één van de rondreizende Indiase mahatma’s van Maharaj ji die mij zou inwijden in de meditatietechnieken. Wanneer er een zou komen, wist niemand. Of hij mij zou inwijden ook niet. Het hing er allemaal vanaf of ik er klaar voor was.

 

Dus ging ik elke dag naar de ashram. Helpen met stofzuigen (‘cleanliness is next to godliness, brother’), aardappels schillen, afwassen en posters van de goeroe in de stad opplakken (‘The lord of the universe has come’).

 

Volgende hoofdstuk.