Zes

 

Na ground zero is het even de brug over en dan is daar de andere wereld: Brooklyn. Na het drukke en lawaaiige Manhattan een oase van groen en rust. Huizen in een welgedane Engelse stijl, met brede stenen trappen ervoor en de ramen van het souterrain uitkijkend op de bloemen in de voortuin. De auto’s, bussen en yellow cabs zijn vervangen door buggy’s en ruisende bomen, de ‘street canyons’ van het zakendistrict door parken with a view over de Hudson. Ik begin die moeder van Jody iets beter te begrijpen.

 

Vergeleken met Brooklyn is onze East Village bij thuiskomst sleetser dan ooit, met de vervilte hond van onze buurman die tegen een boom pist, de eigenaar van de 24-7 supermarkt die aan zijn blote buik krabt en een inmiddels bijna bekende Chinese vrouw die een ijzeren kar vol onduidelijk plastic over de scheve tegels duwt.

 

Gisteravond, toen ik na het eten in het park tussen fietsende, joggende, spelende en etende buurtgenoten werkte aan mijn notities over de wereld van toen, zat zij naast me. Uit haar ijzeren kar, model bovenmaatse winkelwagen, kwam onder haar handel van gebutste petflessen en leeggedronken blikjes, een keur aan uitstekend eten te voorschijn. Met een plastic bestek en een servetje op haar schoot at ze eerst een nog ruim halfvol bakje noedels, daarna zo’n beetje driekwart gebraden kip uit een volgend bakje, vervolgens een plastic beker vol rijst en als toetje een punt aardbeiengebak, nog helemaal goed en onaangeroerd in zijn originele supermarktverpakking. Zodra ze van elk van deze gangen genoeg had gegeten, strooide ze het restant over haar schouder in een perkje achter de bank waar we samen op zaten. Naar de vogels en de eekhoorns, die het ritueel blijkbaar kenden en al hippend klaar zaten toen ze het eerste bakje uit haar uitpuilende kar opdiepte. ‘What a day for a daydream’, speelde iemand een paar bankjes verderop op een saxofoon. Twee jongetjes draaiden er rondjes bij op hun skateplank.

 

Ik woonde nog ongeveer een week in de flat van mijn oma. Overdag hielp ik de ‘housemother’ met klusjes in de ashram en vroeg ik aan de ‘general secretary’, die de leiding had, wanneer ik mocht komen. ’s Morgens en ’s avonds mediteerde ik met een doek over mijn hoofd en boog ik na afloop voor de foto van de goeroe. Een duidelijk antwoord op mijn vraag kreeg ik niet, dus pakte ik op een gegeven moment mijn rugzak in, bracht de sleutel van oma terug naar mijn moeder en meldde in de ashram simpelweg dat ik kwam om te blijven. De huismoeder, een Amerikaanse volgelinge die voor de kleine dertig bewoners kookte, wees me zonder verdere vragen te stellen een halve kastplank voor mijn kleren en een plekje op de grond waar ik ’s nachts mijn slaapzak mocht uitrollen. Geen matras. Geen kussen. En voor de duidelijkheid: “Geen seks, geen drugs, geen alcohol, geen vlees, geen contacten buiten de ashram behalve om de goeroe te dienen, geen boeken, geen kranten, geen tv, geen radio, geen bezittingen behalve je kleren”, streepte ze één voor één op haar vingers de ashramregels af. Ze lachte. Ik knikte. Of mijn Carl Denig rugzak als bezitting kon, wist ik niet. Op zolder was nog wel een plekje om hem op te bergen, zei ze. Ik zette hem zoveel mogelijk uit het zicht, achter wat kartonnen dozen en oude koffers. Alles waar ik nog aan hechtte was nu in deze perfecte rugzak samengebald en ik kon dat nog niet loslaten. Onderin zat de Ban van de Ring in dundrukuitgave, de drie delen in één band, stukgelezen en weer geplakt. Het enige boek waar ik geen afscheid van had kunnen nemen. Ik stond ermee in mijn hand en twijfelde. Tussen mijn kleren schuiven in de hoop dat niemand het zou merken. Of bij de paar heilige boeken zetten die in een kastje in de ashram stonden, wat vrijwel zeker op onvoldoende inzicht en devotie zou wijzen. Of afgeven, zoals iedereen met al zijn geld en bezittingen moest doen bij zijn intrede in de ashram. Ik duwde het boek onder mijn shirtje, mompelde dat ik nog even iets te doen had en liep vanuit het ooit statige maar nu vervallen herenhuis aan de Sarphatistraat, waar de ashram was gehuisvest, de stad weer in.

 

Mijn broer woonde daar vlakbij, net achter het Frederiksplein.

“Mag dit zolang bij jou?” vroeg ik toen ik bij hem boven stond.

“Wat dan?” vroeg hij.

“Nou, niks. Gewoon. Bewaren.”

Hij haalde zijn schouders op. “Oké, zet maar in de kast.”

De Sprookjes van Grimm, de Vertellingen van Hans Christian Andersen en vier delen met verhalen uit 1001 nacht stonden daar al. Gebracht na de grote opruiming van mijn kamer, niet in staat ze met de rest van mijn spullen aan het Leger des Heils te schenken. Ik bladerde wat door de platen van Anton Pieck in één van de 1001 nacht-exemplaren. Voorin had mijn broer meteen zijn naam maar gezet, zag ik.

“Het was bewaren!” zei ik, en ik wees op de balpenletters onderaan de tweede bladzijde.

“Oh, nou. Ik dacht dat je ze toch niet meer hoefde. Al die dingen waren toch onzin?”

“Ja, ik ga daar wonen.”

“Waar? Bij die goeroe?”

Ik knikte.

 

Ik ging de trap naar zijn etage weer af, die zo steil was dat je bijna voorover viel bij het naar beneden gaan.

 

Op straat scheen de zon. Ik dacht er nog even over om bij Janny langs te lopen. Een paar maanden daarvoor had ik haar na jaren liefde verteld dat ik alleen verder moest. Om deze stap te kunnen zetten, besefte ik op dat moment eigenlijk pas. En ik liep terug naar de ashram.

 

 

Volgende hoofdstuk.