Zeven

 

Vanaf New York LaGuardia vlieg ik met Janny door naar Denver. Daar hebben we bij Avis een auto besteld om via de Rocky Mountains en de woestijnen van Arizona en Californië naar San Francisco te rijden. De rust van een reis om te noteren hoe het was. En zien wat ik toen gemist heb.

 

De eerste keer van mijn leven dat ik in een vliegtuig zat, was ongeveer een half jaar nadat ik in de ashram de halve kastplank en een plek om ’s nachts mijn slaapzak uit te rollen had gekregen. Net als een paar duizend andere volgelingen uit Europa en Amerika was ik in één van de vijf gecharterde Boeing-747’s onderweg naar een groot festival in New Delhi om de goeroe voor het eerst in levende lijve te zien en daarna een paar weken in zijn ashram in Hardwar aan de Ganges te verblijven.

 

Het was heet, daar op die betonnen vlakte direct naast Delhi Airport waar we ons moesten verzamelen en wachten. Maharaj ji zelf zou ons komen verwelkomen, werd er gefluisterd. Na een uur of vier in de brandende zon, werd duidelijk dat we daar niet klaar voor waren. Te weinig meditatie en teveel ‘mind en illusion’, ongetwijfeld. Dus vertrokken we in gehuurde bussen naar een tentenkamp dat de Indiase volgelingen op een stoffige vlakte buiten Delhi hadden neergezet. De tenten bestonden uit houten palen, vastgezet met touwen. Op die palen rustte een dak van gekleurde lappen. De zijkanten waren open voor wind, stof en warmte. Naast het tentenkamp was het festivalterrein. Een groot open veld met aan het uiteinde een podium met microfoons, een met bloemen versierde troon voor de goeroe en geborduurde kussens voor de mahatma’s. Maharaj ji was na de dood van zijn vader, op achtjarige leeftijd, aangewezen om hem als goeroe en geloofsleraar op te volgen. Succesvol, want in India had de Divine Light Mission van zijn vader miljoenen volgelingen. Enkele duizenden daarvan zaten op het festivalterrein in rode, paarse, gele en gouden sari’s en witte ‘Indian pyjama’s’, die ook onder de westerse volgelingen populair waren. Ze hadden een rode stip op hun voorhoofd, legden bloemblaadjes op elkaars hoofd en zongen liedjes die voortdurend hetzelfde toonrondje leken te draaien. Op het podium hielden de mahatma’s om beurten ‘satsang’: een toespraak zonder plan vooraf, direct vanuit de meditatieve ervaring, over de virtues of the holy master en zijn divine knowledge that brings enlightenment for the true devotee. Telkens in vergelijkbare woorden herhaalde cirkels, net als de liedjes. De microfoons kraakten, de volgelingen zongen, de zon brandde en de mahatma’s prezen ons gelukkig omdat de weg naar eternal bliss voor ons lag. Drie dagen lang, soms in het Engels maar meestal in het Hindi.

 

Aan het einde van de derde dag kwam Maharaj ji. Eerst liepen, toch nog onverwacht, wat Amerikaanse volgelingen van zijn eigen beveiligingsdienst, het World Peace Corps, het podium op. Met nette pakken en strenge gezichten. Mensen stootten elkaar aan. En toen kwam hij. Iedereen boog diep op de grond. Ik kon hem door de afstand niet echt goed zien, maar meende dat zijn gezicht licht uitstraalde, zoals lachende baby’s dat ook wel hebben. Een soort glans. Volgens de verhalen was hij constant één met de goddelijke klank binnenin en permanent stoned van de nectar. Zo zag dat er dus uit. Ik boog nog een keer in het stof. Hij ging op de troon zitten. Eén van de mahatma’s hing een bloemenkrans om zijn schouders en kuste zijn voeten. De microfoon kraakte. “Dear premies[1]”. Zijn stem was jong van klank, maar met de rust van een wijze, oude man. “You have come a long way.” Om mij heen keken de westerse volgelingen elkaar ontroerd aan. Dat was waar! En hij sprak speciaal tegen ons! “Give the reins of your life to me and I will bring you salvation.” "Oh, my lord", fluisterde iemand naast me. Daarna schakelde Maharaj ji over op Hindi.

 

Volgende hoofdstuk.

 



[1] ‘Premies’ klinkt als ‘premmies’, is Hindi voor ‘degenen die liefhebben’ en aanduiding voor de volgelingen van Maharaj ji.