Acht
De volgende morgen stonden de meeste bewoners van het kamp vroeg op. Goeroe Mararaj ji zou die dag, ter afsluiting van het festival, ‘darshan’ geven: een persoonlijke ontmoeting tussen meester en volgeling, de grootste gunst die een ‘perfect master’ zijn discipel kan verlenen en voor de echte ‘devotee’ beschouwd als een short cut op de weg naar verlichting. Eén maal de holy lotus feet van de lord kussen, stond volgens de mahatma’s gelijk aan zeker een jaar intensief mediteren.
Dus was achter het podium op het festivalterrein een wat kleinere verhoging gebouwd, waar de met goudkleurige doeken en bloemen versierde troon van Maharaj ji was neergezet. Op het terrein zelf moesten de duizenden westerse volgelingen op orders van het World Peace Corps een rij (‘single line, single line’) vormen, een lange streep in het gelige stof waar de vele voeten en de wind wolkjes in bliezen. Toen ik daar ’s morgens vroeg achteraan sloot, kon ik het podium, waar het begin van de rij achter verdween, alleen in de verte zien. Om mij heen zongen mensen ‘The answer my friend...’ en speciaal voor Maharaj ji geschreven liederen (‘The lord of the universe, has come to us this day’). Anderen kletsten, of mopperden op stof, hitte en het lange wachten dat zeker zou komen, want Maharaj ji zelf was nog niet gesignaleerd.
Ik stond daar, in mijn ‘Indian pyjama’s’, mijn witte meditatiedoek als een sluier om mijn hoofd gedrapeerd als bescherming tegen de zon die ongetwijfeld nog heel veel feller zou worden. Ik zong niet mee en ik kletste niet mee. Dit ging om een ontmoeting tussen mij en goeroe Maharaj ji. Dit ging om overgave. Zoals toen ik op mijn elfde besloot pater in de missie te willen worden. Alles in dienst van één ding: het goede. Na twee jaar internaat bij de verzuurde paters die daarvoor moesten opleiden (‘voor een gave verdere ontwikkeling van zijn karakter zal meer discipline nodig zijn’), wilde ik ook nog maar één ding: naar huis. Maar het verlangen was gebleven.
Na uren wachten ontstond er wat beweging, vergezeld van de gemompelde boodschap dat Maharaj ji was gearriveerd. De meeste westerse volgelingen waren inmiddels op het festivalterrein en vormden een rij waarvan ik het einde niet meer kon zien. De securitymensen van het World Peace Corps (WPC) liepen er met drukke gebaren langs en gaven hier en daar een duw om de single line in stand te houden. “Don’t move, stay in line.” Ik had met mijn witte omslagdoek een afdakje boven mijn ogen gemaakt tegen de zon en zag dat de rij heel in de verte inderdaad bewoog. Niet lang daarna kwam die beweging ook bij de plek waar ik stond te wachten, aangemoedigd door de securitymensen die iedereen nu op tempo begonnen te duwen. “Keep moving, brother, keep moving.” Mensen om mij heen keken elkaar wat verbaasd aan, toen het tempo van voorzichtig schuifelen naar lopen en uiteindelijk naar stevig doorstappen ging. Ik deed mijn meditatiedoek van mijn hoofd en zag het podium waar de rij de hoek om ging snel dichterbij komen. Hoe dichter ik bij het podium kwam, hoe meer security er aan beide zijden van de rij stonden, tot ik zo’n vijftig meter daarvoor alleen nog maar door een smal pad tussen twee hagen WPC-ers liep. Zo ging het in steeds hoger tempo de bocht om, naar de achterkant van het podium. Daar net om de hoek stond op een tafel met een witte doek eroverheen gedrapeerd een houten kist met goudpapier versierd en een grote gleuf aan de bovenkant, voor donaties aan Maharaj ji. Een paar passen verder, die nu onder aandrang van de WPC-ers heel snel gingen, zat hij. Rustig te kletsen met twee van zijn stafleden die naast zijn troon knielden. Zijn voeten lagen op een wit kussen. Alleen daar was de haag WPC-ers even onderbroken, om elke volgeling de ruimte te geven de voeten van Maharaj ji te kussen. Ik kwam daar ook en boog mezelf voorover. Als een offerande. Hier ben ik. Op hetzelfde moment trokken twee security’s me van zijn voeten af om me verder door de dubbele haag door te geven en naar buiten het podium af te voeren. Geduwd en gedragen, zonder wil en zonder gewicht.
Ik sloeg de doek weer om mijn hoofd en liep langzaam terug naar het tentenkamp.
Diezelfde middag pakte iedereen zijn spullen in. Naast het tentenkamp stond een lange rij Indiase bussen klaar. Bont beschilderd en met een volledig opgetuigd hindoe-altaar op het dashboard. De smalle houten passagiersbanken waren geschikt voor twee Indiërs, of anderhalve westerling. Wie zijn spullen bij elkaar had, zocht de voorste bus in de rij op. Zodra die vol zat, vertrok hij naar de ashram van Maharaj ji in Hardwar, een plaats die ik alleen kende als met ontzag uitgesproken door de eerste generatie volgelingen die Maharaj ji zelf, reizend door India, hadden gevonden. Ik zat in een bus met Amerikaanse en Australische volgelingen, mijn Nederlandse ashramgenoten was ik al dagen eerder in de drukte kwijtgeraakt. We reden eerst door Delhi, dat ik nog niet eerder had gezien want het festivalterrein lag buiten de stad richting vliegveld en als ashrampremie had ik geen geld om een bus of taxi naar de stad te nemen. Wilde dat ook niet, want die wereld had ik achter me gelaten. Maar nu zag ik hem toch. Rammelende bussen, ossenkarren, brommers, motorfietsen, auto’s die op zijn minst hun spiegels maar soms ook hele deuren misten, stalletjes met meloenen, stalletjes met bananen, politieagenten met snerpende fluitjes, fietsers, riksja’s, voetgangers. En alles en iedereen verspreidde kleuren, stof en lawaai.
Na Delhi begon het aan de andere kant van het raam iets meer te lijken op mijn beeld van het India van de yogi’s. Groene heuvels, vrouwen in kleurrijke sari’s, mannen in witte gewaden met geknoopte lappen om hun hoofd. De chauffeur schokte en bonkte met zijn bus door het landschap in zijn eigen wereld van wierook, verdorde afrikaantjes en een blauwe Krishna met geloken ogen in een gouden lijstje. Zodra hij ergens langs de weg een chai[1] en hasj café zag, stond hij bovenop de rem, gooide de deur van zijn chauffeurstempeltje open en liep met stramme benen naar het hutje. Na een kom hete chai en een grote chillum[2] klom hij dan even later met bloeddoorlopen ogen en kromme benen de bus weer in, zocht even waar het stuur ook maar weer zat en zwierde met een grote stofwolk de weg weer op.
Wat daar gebeurde, leek na elke chai-en-chillum-stop minder met hem van doen te hebben. Hij keek er wel naar, maar meer zoals je naar vissen in een aquarium kijkt. Boeiend, maar niet jouw wereld. Zeker toen het donker werd. Ontwijken van de man die toen met zijn ossenkar op de weg liep, was gewoon niet meer aan de orde. Toen ik door het achterruit keek, zag ik de man huilend staan, zijn armen wanhopig in de lucht. Os tegen de grond, kar op zijn kant in de berm, meel dat hij blijkbaar vervoerde in een grote veeg over de weg. Het dwarrelde op toen onze chauffeur wat extra gas gaf.