Negen
Prem Nagar ashram in Hardwar, gelegen aan mother Ganges en de foothills of the Himalaya. De enkele westerse volgeling die er geweest was, zoals de Amerikaan met hepatitis-B op mijn afdeling in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, sprak de naam met glanzende ogen en omgeven door stiltes uit. De heiligste plek op aarde. Maar niet helemaal gebouwd op het ontvangen van drieduizend gasten. Eigenlijk was de ashram vooral een kaal open veldje van aangestampte klei met een roestig hek er omheen en een lemen gebouwtje er midden op. Net buiten het hek was een kleine moestuin. Ik zag enkele mahatma’s, die bij ons in luxe auto’s vol eerbied werden rondgereden en met zachte lakens en hoogpolig tapijt gehuisvest, op hun hurken onkruid weghalen tussen struiken met meloenen eraan. Het lemen gebouwtje op het ashramterrein bestond uit twee rijen kleine slaapvertrekken (een deur, een raamopening zonder raam en een houten bed). Voor de mahatma’s. Haaks daarop was aan de ene korte kant een keuken, aan de andere twee toiletten en een openluchtaanrecht zonder kraan. Naast het gebouwtje was een ruimte voor satsangbijeenkomsten, gemaakt in dezelfde stijl als het tentenkamp in Delhi: een dak van lappen stof op palen. Daaronder stond een klein podium. Verder bestond de ashram uit wind en stof.
Voor de drieduizend gasten uit Amerika, Europa en Australië was op een kaal veldje naast het ashramterrein een kamp gebouwd. Een stuk of tien grote tentdaken van lappen stof, met daaronder open ruimtes waar iedereen die uit de bussen kwam een plaatsje met zo min mogelijk stof en zon zocht om zijn slaapzak uit te rollen. Naast het tentenkamp, richting rivier, stonden twee lange rijen hokjes van tentdoek, aan voor- en achterkant open, gebouwd boven greppels waar af en toe wat water uit de rivier doorheen liep. De wc’s. Eén rij voor de ‘brothers’ en één rij voor de ‘sisters’. Daarachter: mother Ganges, tevens de plek waar iedereen zichzelf en zijn kleren zo goed en zo kwaad als dat ging schoon moest zien te houden.
Dat, het eten (geschept uit grote emmers op een uitgestoken chapati - ‘More dahl brother? More rice brother?’), de hitte, de wc-greppels die al snel niet meer doorspoelden en het doelloos rondhangen in het ashramstof, zorgden ervoor dat het aantal zieken per dag met tientallen tegelijk omhoog ging. Andy, een Amerikaanse volgeling met een half afgemaakte artsenopleiding, hield dagelijks spreekuur in één van de tenten. Mijn taak als ‘ervaren’ verpleeghulp was de volgelingen die zo ziek waren dat ze daar niet meer heen konden in de slaaptenten opzoeken. Om vervolgens niet veel te kunnen doen. Vrijwel iedereen die ziek was had diarree en de meesten gaven de hopeloze run naar de greppels al snel op. Als ik nog schone spullen kon vinden, deed ik ze die aan. Ik bracht wat drinkwater dat ik met veel moeite uit de keuken los kon peuteren. En gaf het nummer van hun tent aan dokter Andy. Die beloofde langs te gaan zodra hij even tijd zou hebben.
Verder gebeurde er vier weken lang hoegenaamd niets in de ashram. Soms kwam er een mahatma naar de open ruimte naast het lemen huis om satsang te geven. En elke dag ging het gerucht dat Maharaj ji zou komen. Wat niet gebeurde. Het ontbrak ons blijkbaar aan voldoende devotie.
Steeds vaker stopten er taxi’s en riksja’s voor het ijzeren ashramhek om volgelingen die even helemaal stuk zaten op de leefregels van de goeroe naar Hardwar, chai en chillum te brengen. Het overtuigde mij ervan dat ik sterk moest zijn. Dit was een test. Dus mediteerde ik ’s morgens met de mahatma’s, zong ik mee met hun lofliederen op de divine incarnation die onder ons was, luisterde naar hun eindeloos herhaalde satsangs (‘we are bery lucky souls’) en bezocht mijn diarreepatiënten.
Tot ik zelf ziek werd. Geen diarree, maar een hoofdpijn als een krassende vrouwennagel in mijn voorhoofd en koorts die een donslaag tussen mij en de wereld legde. Andy had inmiddels hulp van een lokale dokter, die alles wat geen diarree was, bestreed met capsules rode peper. Mijn koorts ook, die erop reageerde door met sprongen verder omhoog te schieten tot mijn in het stof gedraaide slaapzak de wereld werd en opstaan alleen in mijn dromen gebeurde. Niemand had mijn werk overgenomen, met gevolg dat ik van die laatste dagen in India niet veel meer weet.
Toen aan het eind van ons verblijf de bussen klaar stonden om te vertrekken, negeerde de huismoeder van de ashram in Amsterdam de opdracht van een echte volgeling om niet ‘attached’ te zijn: ze is me gaan zoeken en heeft me naar het vliegveld geholpen. Van de vlucht terug herinner ik me een KLM-deken en veel slaap. En personeel van de GGD dat me bij de gate op Schiphol direct uit de rij haalde. Gealarmeerd, neem ik aan, en huiverig dat ik iets naars voor de volksgezondheid binnenbracht. Toen dat niet het geval bleek, maar gewoon een stevige voorhoofdsholteontsteking, kreeg ik antibiotica en een lift naar de ashram aan de Sarphatistraat.
Daar was slapen overdag een duidelijk teken van haperende devotie en bovendien niet simpel te regelen omdat de slaapruimte tijdens de dag bestemd was voor maaltijden en bijeenkomsten. Ik mocht bij wijze van grote uitzondering een paar dagen in mijn slaapzak onder het wasgoed liggen, waarvoor in een zijkamertje wat lijnen waren gespannen.
Niemand keek naar me om. Wie één is met de goddelijke energie, wordt niet ziek. Zo voelde ik dat zelf ook. Ik moest meer mediteren.
En dat deed ik. Elke ochtend (vóór mijn uitzendbaantje) en elke avond (ná satsang), minstens een uur. Soms (vaak) was ik zo moe dat ik ergens halverwege onder mijn witte meditatiedoek omviel en sliep. Net als veel andere ashrambewoners om me heen in de meditatiekamer. Als een rij opgebruikte dominostenen. Maar soms ook was er vrede in mijn hoofd en het gevoel heel dicht bij mezelf te zijn. Op een plek waar alles goed is.